In Memoriam


16-08-1956 Bert Klunder 14-06-2006

foto: Ben van Duin

Bij het afscheid van Bert Klunder , 19 juni 2006

Lieve Bert, lieve vriend,

Weet je wat het is met vrouwen? Ze willen altijd maar behulpzaam zijn, vaak precies op de momenten dat je die behulpzaamheid kan missen als kiespijn. Bijvoorbeeld op de ringweg van Parijs. Dan willen ze opeens gaan kaartlezen. De ringweg om Parijs, dames en heren, moet met militaire precisie worden genomen. Ik herhaal, met militaire precisie. En wat doet de vrouw: die zegt, kijk eens, de Eiffeltoren!
Het is een mooi ding hoor, die Eiffeltoren. Het is goed dat-ie er is. Maar het volgende moment zit je wel in Straatsburg terwijl je naar Bordeaux wilde. Op dat soort behulpzaamheid zit een man niet echt op te wachten.
Maar verder zijn het best leuke dingen, die vrouwen".


Je hoeft de deur niet bij elkaar plat te lopen om zielsverwanten te zijn.

Toen ik zondagmorgen hoorde dat je opnieuw een hersenbloeding had gehad en vervolgens maandagmorgen van je trouwe technicus Gijs vernam dat je in coma lag en de kans op een eventueel herstel was verkeken, toen wist ik zeker dat onze strandwandeling van een maand geleden onze laatste was geweest. Dat dat de laatste keer was dat ik je gezien en gesproken had.
Ik herinner mij die dag nog zo goed. Ik haalde je op bij de Friese brug in Alkmaar. Je stapte in mijn auto. We keken elkaar aan. 'Ik hoor hier niet te zitten', zei je. 'Ik zou dood moeten zijn, maar ik ben er nog. Dus ik zou zo zeggen: laten we er maar het beste van maken'.
'Ja, Bert, je bent er nog', zei ik. Waar wil je heen?
'Naar het strand', zei je. 'Ik wil de zee zien'.
En we liepen over het strand, Bert, en we praatten over van alles: het volle leven, het vaderschap, maar vooral over dat mooie vak van ons waarin we allebei ons partijtje mee bliezen en waarin we altijd beter wilden worden.
Hoe is het met je nieuwe programma Bert? Ik weet het niet. Het is wel een ding. Ik bedoel, het is wat het is.
Na een uurtje werd je moe en wilde je naar een terrasje om uit te rusten. We reden naar Bergen en streken neer bij de Ruïnekerk. We zeiden niet veel tegen elkaar, we keken wat om ons heen, maar het was meer dan genoeg voor ons beiden. En ik was zo blij dat je naast me zat en er weer was na alles wat je in de duistere rampzalige winter had meegemaakt. En ik bedacht mij in stilte hoe toevallig het was dat mijn zoon was geboren op de dag dat jij uit het ziekenhuis ontslagen was en je weer voorzichtig mocht gaan denken aan een nieuw leven en een nieuw begin.
Die herinnering wilde ik bewaren. Ik wilde voor altijd het beeld vasthouden hoe je naast me zat op dat terras in Bergen. Dat je er weer was en weer mee deed, dat je weer terug was in het leven waar je zo van hield. En daarom wilde ik dit weekeinde niet meer naar het ziekenhuis in Alkmaar om je nog een keer te zien.
Afgelopen dinsdag hoorde ik dat je was overleden. Het drong helemaal niet tot mij door, Bert. En het klopte ook niet, bleek een paar uur later pas. Het was een gerucht, meer niet. Je was er nog, je was nog niet dood. Je wilde nog niet gaan, zo leek het.

Woensdagmiddag zat ik wezenloos voor mij uit te staren over de Schermerpolder en te wachten op het definitieve bericht.. dat maar niet kwam. Ik sloeg een paar toetsen aan op de piano maar muziek wilde het niet worden.
En toen gebeurde er iets raars, lieve vriend. Ik had opeens het gevoel dat ik nog niet met je klaar was. Dat ik je toch nog een allerlaatste keer moest zien en dat haast geboden was, grote haast.
Ik stond op, pakte mijn jas en stapte in de auto. Jij kent de ringweg bij Alkmaar, Bert. Dat is het ene rode stoplicht na het andere. Maar nu stonden voor het eerst sinds jaren alle stoplichten op groen en kon ik zomaar doorrijden. Een kwartier later was ik in het ziekenhuis en mocht ik doorlopen naar de intensive care. De eerste die ik op de gang zag was Gijs.
Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik had tranen in mijn ogen.
'Ik weet eigenlijk niet wat ik hier kom doen' zei ik.
'Wil je Bert nog een keer zien', vroeg Gijs. Het was meer dan ik had durven hopen. 'Ja', zei ik, als het mag van Mylou, en dan ga ik meteen weer weg'.

En daar lag je. Die grote Bert. Aan allemaal dure apparaten en the machine that goes ping! Je lag rustig te slapen en het was zo onwerkelijk. Ik verwachtte ieder moment een arts die gewoon zou zeggen: wilt U nu naar huis gaan, mijnheer Klunder is een beetje moe. Komt U morgen maar terug.

Ik weet niet waarom het is, Bert, dat ik er op de allerlaatste valreep bij mocht zijn toen je ging. Dat ik aan de rand van je bed mocht staan aan het einde van alles. Dat ik zag hoe je ademhaling steeds minder werd en tenslotte ophield. Ik weet niet waarom het is, Bert, dat ik thuis opeens mijn jas aantrok en naar de auto rende. En dat alle lichten op groen stonden en dat ik op nog tijd was. Ik weet niet waarom het is. Zou het zo zijn dat wij recht tegenover het huis wonen waar je bent geboren? En dat er toch zoiets bestaat al een cirkel en dat die, hoe gebrekkig ook, rond gemaakt moest worden?
Op die vragen krijgen wij geen antwoord. En ook niet op de vraag waarom de ene mens mag leven en de andere moet sterven terwijl hij nog zoveel te geven en te delen had. Wij tasten in het duister en voorzover de man bestaat zijn Gods wegen ondoorgrondelijk. Of moet ik zeggen onverteerbaar.
Toen het leven uit je wegtrok en de kleur uit je gezicht verdween en je Bert niet meer was, toen dacht ik aan de laatste woorden die je tot me sprak toen je na onze strandwandeling bij de Friese brug weer uit de auto stapte.
'Ik ben de dans ontsprongen'.
En allebei dachten we dat het werkelijk zo was.

Rust zacht, lieve Bert.

Diederik

 

Bram Vermeulen

Een kleine herinnering aan een Grote Man

Een keer per jaar komen wij aan het eind van het seizoen een weekend bij elkaar in Middelburg. Wij, dat zijn een bijeengeraapt zootje cabaretiers van ruim boven de dertig en zeker boven de veertig, die het leuk vinden om na een lange toernee een zaterdagavondje te doen waar we zin in hebben. Dat doen we met zijn allen, in wisselende combinaties. Zonder voorbereiding, zonder pretenties, maar tot de tanden toe bewapend met een jutezak vol plezier en hartstocht. Dat kan en mag allemaal een keer per jaar in Middelburg, in het theater van Gerard Peijs.
Op een van die beruchte 'Nachten van Middelburg' was Bram Vermeulen er ook. Hij werkte op dat moment samen met de mannen van NUHR. Hij was door hen ingehuurd als muzikaal adviseur, maar als je Bram inhuurt dan krijg je er een hoop ongevraagde adviezen bij. Dat hebben we dat weekend geweten.
Bram was de volle twee dagen aan het woord, luid en onontkoombaar. Nu eens hield hij een betoog over de juiste belichting bij een bepaald soort scènes, dan weer ging het over graancirkels of over James Taylor, die het met name zover geschopt had omdat hij de perfecte middengolfstem had. "Ik weet niet of je het weet, Diederik, maar de middengolfradio werkt met bepaalde frequenties. . . ".Etcetera ad infintum. Dat was Bram. Een vat vol verhalen en 'weet feitjes' die hij ongevraagd met iedereen wilde delen.
Delen, dat woord schoot mij te binnen toen ik hoorde dat hij was overleden. Bram wilde delen, altijd en overal, met alles en iedereen. Soms tot vermoeiens toe, zeker. Maar altijd met een open hart.
Bram was gul, verdomd gul. Als hij met dat onmogelijke enorme lichaam voor je stond en je de oren van je kop ouwehoerde, dan vergat je, als jonge aankomende collega, dat je met een theatermonument stond te praten. Dat je met iemand stond te praten tegen wie je eigenlijk altijd op had gekeken. Met wie je was opgegroeid en die, ook al deed je zelf op het podium hele andere dingen, toch altijd ergens een onvermijdelijk voorbeeld was geweest.
Bram wilde altijd delen. Hij wilde geen voorbeeld zijn, maar met ons en onder ons zijn. Zoals op de Nacht van Middelburg.
Er zijn niet zo heel veel cabaretiers met een groots en roemrucht verleden die dat kunnen te midden van hun collega's.
Bram kon dat wel. Het kostte hem geen enkele moeite. Het was een bijzonder sympathieke karaktertrek die kennelijk altijd in hem heeft gezeten. Ik heb hem daar altijd zeer om bewonderd.
En zo zal ik mij Bram ook herinneren. Die enorme, grote onmogelijke man met die baard en die stem. Die grote deler.
Lang geleden, toen ik niet nog in de verste verte een vermoeden had dat ik ooit in het theater terecht zou komen, zat ik in Carré bij een voorstelling van Neerlands Hoop. Code, heette de voostelling. Bram zong een prachtig lied. 'Oud en eenzaam wil ik worden". Het is hem allebei niet gelukt.


Diederik van Vleuten, 6 september 2004

Foto: GPD/EMI Music

 

14-12-1948 Boudewijn Maria Ignatius Büch 23-11-2002

Bij het overlijden van Boudewijn Buch

Een aantal jaren geleden zag ik in de etalage van een tweedehands boekenwinkel in Sydney The Life of Captain James Cook liggen. Het boek is geschreven door professor John Cawte Beaglehole en wordt algemeen gezien als hét standaardwerk over de grote 18e eeuwse ontdekkingsreiziger. Maar dat wist ik allemaal nog niet toen ik de kleine winkel in Georgestreet binnen liep.
Ik vroeg de eigenaar of ik het mocht inzien. Hij mompelde iets, pakte het boek uit de etalage en gaf het me in handen. Het was een mooi gebonden exemplaar. Op het donkerblauwe linnen omslag prijkte een verguld portret van Cook. Ook de letters op de rug waren verguld. Het werk telde bijna achthonderd pagina's. De illustraties waren schaars maar wat ik zag deed op de een of andere manier mijn hart sneller kloppen: een kaart van Tahiti, een portret van de botanicus Joseph Banks, een tekening van een schip in een verre, vreemde baai, duizenden kilometers van huis: The Resolution at Nootka Sound. De titels van de hoofdstukken waren niet minder opwindend: Newfoundland, Preperations, Passage To Tahiti, The Second Island Sweep, The Antarctic Again, Kealakekua Bay.
Terwijl ik stond te bladeren moest ik opeens weer denken aan De Wereld van Boudewijn Büch. Ik herinnerde mij een aantal afleveringen waarin Büch een reis rond de wereld maakte in de voetsporen van James Cook, een barre zoektocht die hem van Alaska via Australië en Nieuw-Zeeland naar Tahiti voerde. Die afleveringen had ik indertijd met bijzondere belangstelling gevolgd al waren ze dan in mijn herinnering een beetje weggezakt. Maar nu, in dat antiquariaat aan de andere kant van de wereld, kwamen de beelden weer duidelijk in mij naar boven. Ik zag Büch weer voor me, gekleed in een onmogelijk T-shirt en dito korte broek, hevig zwetend en gebarend, terwijl hij uitkeek over de glinsterende Pacific. Met zijn hoge opgewonden stem prees hij Cook de hemel in als 'de meest humane ontdekkingsreiziger aller tijden' en betreurde hij het dat 'onze eigen Abel Tasman' niet op deze plek aan land was gegaan 'anders zou Nieuw-Zeeland nu van ons zijn geweest. Wat is dat toch jammer!'.
Toen ik uitgebladerd was informeerde ik voor de vorm naar de prijs het van het boek maar mijn beslissing stond al lang vast: ik zou het kopen, koste wat het kost. Ik heb van die aankoop nooit spijt gehad. Integendeel. The Life of Captain James Cook zou mijn leven veranderen.
Op mijn hotelkamer begon ik te lezen. Toen ik het boek uit had besloot ik dat mijn verdere verblijf in Australië in het teken van James Cook zou komen te staan.

Met Beaglehole als briljante gids probeerde ik zoveel mogelijk plaatsen te bezoeken waar Cook aan land was gegaan, waar hij langs was gevaren of die hij van een naam voorzien had. Ik probeerde mij voor te stellen wat hij meer dan twee eeuwen voor mij gezien had en ik las de citaten uit zijn reisjournalen.
Mijn zoektocht naar Cook begon in Botany Bay, even ten zuiden van Sydney. "The trees are at such a distance from one another that the whole country or at least a great part of it might be cultivated". Vervolgens bezocht ik Port Jackson, Cape Byron, Mount Warning en Cape Tribulation. "I have given it the name Cape Tribulation, because here all our troubles began".
Mijn queeste eindigde in het noorden van Queensland waar ik na een lange tocht door The outback tenslotte Cooktown bereikte, de plek waar de grote navigator noodgedwongen zes weken aan land had moeten blijven omdat The Endeavour gerepareerd moest worden nadat het op het koraal van het Great Barrier Reef was vastgelopen.
In Cooktown bezocht ik het James Cook Historical Museum, waar ik in The Cook Gallery met eigen handen een van de kanonnen van The Endeavour aanraakte.
Ik liet mij fotograferen bij zijn standbeeld. En aan het eind van een lange warme dag beklom ik de heuvel die hij ooit als observatiepost had gebruikt. Daar, in de serene stilte op Grassy Hill, keek ik uit over The Endeavour River terwijl de ondergaande zon de hemel langzaam bloedrood kleurde. Achter mij lag de eenzame, godverlaten outback van Australië. Voor mij lag de rivier en in het oosten lag de oneindige Stille Oceaan. Ik moest denken aan James Cook. Maar ook waren mijn gedachten bij de man die mij op dit spoor had gebracht en aan wie ik deze ontroerende ervaring te danken had: ik dacht aan Boudewijn Büch.

 


Het bericht van zijn overlijden - ik hoorde het 's avonds via de autoradio- kwam als een schok. En nu ik begonnen ben dit te schrijven, in de nacht van zondag 24 op maandag 25 november, kan ik nog steeds moeilijk geloven dat Boudewijn Büch er niet meer is. Dat hij van het ene op het andere moment zomaar weg is. Dat het allemaal is afgelopen.

Ik heb hem nooit persoonlijk ontmoet en dat betreur ik nu meer dan ooit. Ik had hem graag eens verteld hoeveel ik altijd genoten heb van zijn programma's, van zijn boeken, zijn romans en zijn gedichten, zijn hilarische colleges aan tafel bij Barend en van Dorp, bij wie hij een onderdak vond in het laatste jaar van zijn leven.
Maar vooral had ik hem willen bedanken voor James Cook. Hij bracht me op het spoor, hij leerde me zien, hij leerde me zoeken en ontdekken. En hij maakte mij door zijn ongeremde enthousiasme en zendingsdrift tot een verzamelaar. Nu, een paar jaar na mijn reis door Australië, heb ik twee grote kasten vol met boeken over Cook. Dat heb ik te danken aan Boudewijn Büch en aan hem alleen.

Hij zou bij het aanhoren van mijn loftuitingen waarschijnlijk gillend zijn weggerend. Als Büch ergens een hekel aan had was het wel aan mede- verzamelaars. Hij wilde in zijn passies met rust gelaten worden. Die rust vond hij voornamelijk in zijn unieke, immense bibliotheek. Daar wist hij zich omringd door de enige liefde waarop hij altijd terug kon vallen en die hem nooit in de steek zou laten: zijn boeken.
Daar was hij omgeven door de geest van Goethe, Mick Jagger, Andy Warhol, de Dodo en de Pinguin. Daar was hij alleen met James Cook.

In de dagen na zijn dood heb ik veel voor mijn boekenkast gestaan en in stilte gedacht aan Boudewijn Büch.
Op een avond heb ik The Life of Captain James Cook, waarvan hijzelf ongetwijfeld de eerste gebonden druk met het schaarse stofomslag in zijn bibliotheek heeft staan, in mijn handen genomen en de slotregels van dat grote boek aan hem voorgelezen.
Als eerbetoon. Als dank. Als een laatste verdrietig saluut.

Such Things. Geography and Navigation. If we wish for more, an ocean is enough, where the waves fall on innumerable reefs and a great wind blows from the south-east with the revolving world.


14 december 2002

Diederik van Vleuten.

 

< terug <