Wanneer
de lente nadert.
Arie
scheert zich, en zingt een met vrolijk Amsterdams vibrato al
scherend een lied. Zeer luid.
Arie:
Wanneer de Lente nadert,
dan lacht haast iedereen.
De zon die gaat weer schijnen,
dat zien ik rond me heen.
Ook zien ik lieve lammetjes,
dartelen in de wei,
maar ik word daar niet vrolijk van,
en ik wordt ook niet blij.
En
als ik in de kroeg sta,
met drukte om me heen,
zo tussen al die mensen,
voel ik me vaak alleen.
Ze staan met elkaar te lachen,
en proosten met hun bier,
maar ik wordt daar niet vrolijk van
en ik heb geen plezier.
Ja
mensen ik weet:
het ligt aan me eigen.
Het lukt me maar niet,
om een glimlach te krijgen.
Ik zien in de spiegel
een stuk sjaggerijn.
Maar ik ken het niet helpen,
ik ken niet gelukkig zijn.
Als
ik een goeie mop weet
of..
Diederik
komt binnen, met een koffer.
Arie:
Goeiemorgen, Diederik. Leuk dat je er bent. Goeie reis gehad?
Ik zou zeggen, doe je jas uit.
Died
loopt naar voren, doet in een ruk zijn jas uit. We zien nu zijn
pak. Diederik heeft een Superman-pak aan.
Arie:
Dames en heren, Diederik van Vleuten draagt een luchtig ensemble
in de kleuren rood, geel en blauw met een nerveus gesneden slipje
en bijpassend keepje.Arie, in het geheel niet verbaasd, gaat
de krant lezen. Diederik richt als Superman het woord tot de
zaal.
--------------------------------------------------------------------------------
1.2. De monoloog van Superman.
Superman:
Er is geen respekt meer voor helden. Als ik vroeger door de
straat vloog had ik direct aanspraak. Dan zeiden de mensen:
Kijk, daar gaat onze Superman. Hij is vast en zeker op weg naar
een van zijn vele heldendaden. Toi, toi, toi, Supermen, je doet
het ook voor ons! Gisteren heb ik op koopavond drie uur door
de Bijenkorf gevlogen zonder dat iemand ook maar iets zei.
Er
is geen respekt meer voor de helden van vroeger. En nou hoor
ik u vragen: waarom is er geen respekt meer voor de helden van
vroeger.. Dat komt door de helden van tegenwoordig.
Wij,
de oude helden, Batman, Spiderman en ik, wij deden alles zelf.
Wij hadden geen trucs nodig. Maar dan Kevin Costner! Met z'n
Dances with Wolves. Slappe homofiel. Kevin Costner gaat in zijn
eentje op jacht op zogenaamd 3000 bizons. Dat is dus wel gewoon
één bizon en die hebben ze 3000 keer opgenomen.
Dat hebben die jongens van Bonanza mij zelf verteld.
En
daarna gaat die Costner ook nog een keertje doodleuk Robin Hood
spelen. Terwijl de echte Robin Hood in Sherwood Forest op een
houtje zit te bijten.
Of
Indiana Jones, die kleffe kafee-nicht met z'n Tempel of Doom.
Die is dus gewoon helemaal van karton. Nee, niet Jones maar
die Tempel. Maar o, o, o, wat heeft die mijnheer Jones een praatjes
met zijn hoed en zijn zweepje. Die hele Indiana Jones, dat is
gewoon een gek in een pak.
Arie:
Died, volgens mij droeg Soepermen gele laarsjes.
Diederik
is op slag niet meer Superman en gaat zich omkleden.
Arie:
Gaat het een beetje goed met je?
Died:
Nee. Het gaat slecht. Het gaat ontzettend slecht.
Geen
reactie van Arie.
----------------------------------------------------
1.3. Waarom het met Diederik niet goed gaat.
Died:
Misschien wil je nog weten waarom het slecht gaat?
Arie:
Dat weet ik wel. Je bent op je 32e eindelijk door je vader het
huis uitgezet en nou dacht jij: ik ga bij Arie wonen, die heb
ik al vijftien jaar niet gezien dus dat zal wel schikken. Trouwens,
hij heeft gebeld, je vader.
Died:
Moet'ie vooral doen.
Arie:
Hij zegt dat hij van je houdt.
Died:
We leven in een vrij land.
Arie:
En hij vraagt of je vanavond gezellig komt eten.
Died:
Dat kan niet. Ik kan wel komen eten maar ik kan niet gezellig
komen eten.
Arie:
Waarom kan dat niet?
Died:
Er zijn zoveel dingen die niet kunnen. Slaapzakken aan elkaar
ritsen. Een muziekstandaard inklappen. Een Michelinkaart terugvouwen.
En gezellig bij mijn vader komen eten.
Arie:
Je moet me toch eens uitleggen waarom jij niet gez....
Died:
Er zitten gewoon teveel vouwen in een Michelinkaart. Waarom
dacht je dat mensen alleen halve Franse plaatsnamen kennen?
Par, Bor, Marsei, Ly, au Mer, de Madeleine, d'Huez. Er zitten
teveel vouwen in de Michelinkaart. Altijd als je ergens in Frankrijk
moet zijn is het op de vouw. Nooit eens erboven. Nooit eens
eronder. En alleen om mij te pesten heb jij in deze kamer twee
slaapzakken, een muziekstandaard en een Michelinkaart.
Arie:
Ja. En jij bent een gek in een pak.
Died:
Ja. En jij komt uit IJmuiden.
Arie:
Ja. En jij komt uit de polder.
Died:
En jij hebt een petje.
Arie:
Uit de Schermerpolder.
Died:
Een zwart petje.
Arie:
De Schermerpolder bij Alkmaar.
Died:
Een petje.
Arie:
Die kale, kouwe polder bij Alkmaar.
Died:
Een petje.
Arie:
Ja. Ik heb een petje.
Died:
Jij draagt, in huis, een petje.
Arie:
Ja. Dat is namelijk een housepetje.
Died:
Het begint met een petje en daarna wordt je lid.
Arie:
Lid waarvan?
Diederik
verandert door deze vraag ter plekke in de bekende overspannen
Veronica-voice-over.
--------------------------------------------------------------------------------
1.4. Veronica komt naar je toe!
Veronicaman:
Jij wordt lid en jij ontvangt gratis dat superdikke sensationele
programmablad voor nog geen tientje in de maand. Dat superdikke
sensationele programmablad vol informatie en achtergrondinformatie
over de dingen die jou bezighouden. Zoals dat petje. Jij wordt
lid. Sterker nog: jij wordt lid-abonnee en jij maakt kans op
die fantastische prijs.
En
wat is die prijs? Jij gaat met jouw favoriete omroep naar het
gebied van de Middellandse Zee. Jij gaat met jouw favoriete
omroep op reis door de wereld der Klassieke Oudheid.
Je
vertrekt op woensdagmorgen en vliegt non-stop in een keer door
naar het Oude Egypte waar je een bezoek brengt aan de grote
pyramide van Cheops en de mysterieuze Sphinx.
Maar
er is natuurlijk ook genoeg tijd voor ontspanning want nog diezelfde
avond maak jij, samen met je allerbeste vriend, een tocht in
het schip der woestijn op het geschenk van de Nijl, je laat
jouw portret en die van je allerbeste vriend in steen uithakken
en je krijgt een kijkje op de set van de Ten Commandments.
Dan
vlieg je via de Sinaïwoestijn door naar Israël. Waar
Mozes veertig jaar over deed doe jij in krap twee uur want jij
bent jong en jij weet wat je wilt.
Je
brengt een bezoek aan Jeruzalem met de mysterieuze klaagmuur
en de Gouden Tempel. Maar er is natuurlijk weer genoeg tijd
voor ontspanning, want 's avonds eet je echte sjowarma op de
bezette Jordaan-oever en krijg je een kijkje op de set van Rabbi
Jakob.
De
volgende morgen ga je per bus naar Jericho. Waar de oude Joden
eerst zeven keer omheen moesten mag jij in een keer naar binnen
en je kunt wel raden waarom: jij bent jong en jij bent lid-abonnee!
Dan
vlieg je door naar het Oude Griekenland, de wieg van de democratie,
waar het allemaal begonnen is. Je bezoekt de Akropolis, je bezoekt
het mysterieuze Parthenon. In Delphi ga je naar het beroemde
orakel en laat jij je toekomst voorspellen en waarom ook niet:
jij weet toch al lang wat je wil.
En
natuurlijk is er ook daar weer genoeg tijd voor ontspanning
want hier bezoek je het hoogtepunt van je reis: de mummie van
Nana Mouskouri. Keihard de lekkerste. Dat wil jij toch ook?
Arie:
Nee hoor, dat wil ik helemaal niet.
Died
gaat verslagen zitten, Arie neemt voor het eerst het initiatief.
--------------------------------------------------------------------------------
1.5. Diederik op gymnastiekles.
Arie
fluit zeer lang en hard en gaat nog zittend met de stok tikken.
Died gaat looppassen. Op fluit Arie Died in de ringen. Arie
wordt gymleraar Hazewinkel.
Hazewinkel:
De koprol naar voren, Diederich
. Je
klimt in de ringen, doet je benen door de ringen en laat je
je voorover vallen. Ik vang je wel op.
Died
begint nu te huilen geeft Arie een briefje uit zijn broekzak.
Hazewinkel:
Jongens, mag ik even de aandacht? 'Geachte heer Hazewinkel,
mijn zoon Diederik is niet zo goed in sport. Veldsporten dat
gaat nog wel, maar al die apparaten dat gaat niet. U merkt vanzelf
wel wat hij durft en wat hij niet durft. Hoogachtend, mevrouw
Van Vleuten, haakje openen, de moeder van Diederik, haakje sluiten.'
.
Dus jij heet helemaal geen Diederich, Diederik. Koprol naar
voren, Diederich.
Died
piept luid en wijst op briefje.
Hazewinkel:
'P.S. Met name is mijn zoon erg bang voor de ringen.'
Dan kan je dat toch gewoon zeggen? Dan gaan we toch niet in
de ringen? Dikkie, Roel, Karel, Paul, zouden jullie speciaal
voor Diederich de wandrekken even uit willen schuiven?.. Naar
boven, Diederich.
Died
druipt af naar het wandrek. Died piept luid, hij stelt kennelijk
een vraag.
Hazewinkel:
En als je eenmaal boven bent, dan klim je weer naar beneden
.
Diederich. Ik weet het goed met je gemaakt. Jij mag met de meisjes
meedoen. Ik weet het nog beter gemaakt: Jij moet met de meisjes
meedoen. Ik schrijf voor jou een briefje en dat ga jij in de
meisjesgymzaal voorlezen. Stel je voor: de deur van de meisjesgymzaal
gaat open en wie staat in zijn hempje en zijn broekje?
Died:
Diederich.
Hazewinkel:
Onze gebronste atleet Diederich. En dan zegt hij tegen de meisjes:
'Geachte meisjes, ik ben niet zo goed in sport. Veldsporten,
dat gaat nog wel maar al die apparaten, dat gaat niet. Vandaar
dat ik graag met jullie mee wil doen. Hoogachtend, Diederich,
de zoon van de moeder van Diederik.'
..Of zeg je: nou,
ik wil het toch nog een keer proberen, de ringen.
Died:
Nee, dat zeg ik niet.
Arie:
Nee, dat zeg jij niet want...
Died:
Dat durf ik niet.
Arie:
Dat durf ik niet MIJNHEER HAZEWINKEL.
--------------------------------------------------------------------------------
1.6.
Jongensdroom.
Died
en Arie:
Ik lig in mijn bed, ik ben pas negen,
morgenochtend ben ik weer alleen.
Niemand uit zijn klas wil met me spelen,
en ik word geplaagd door iedereen.
Ik kijk naar mijn papieren helden aan de muur,
Al die sterren schijnen zo dichtbij.
Ik lig in mijn bed, ik ben pas negen,
en droom dat ik ooit net zo word als zij.
Dan
ben ik de grootste
dan ben ik de sterkste
dan zal ik nooit bang zijn
dan zal ik altijd winnen
Dan
ben ik de grootste
dan ben ik de sterkste
dan zal ik nooit bang zijn
dan zal ik altijd winnen
Ergens
waar ik bijna niet kan komen
daar ben ik de held van iedereen.
En ze willen alles van me leren,
want hoe alles moet weet ik alleen.
Het is een land ver weg met altijd zonneschijn,
het is een land voorbij de horizon,
Ergens waar ik bijna niet kan komen,
en er vliegen witte duiven rond.
Daar
ben ik de grootste
daar ben ik de sterkste
daar zal ik nooit bang zijn
daar zal ik altjd winnen
daar
ben ik de grootste
daar ben ik de sterkste
daar zal ik nooit bang zijn
daar zal ik altjd winnen
Ik
lig ik mijn bed, ik ben pas negen,
in mijn dromen ben ik mijn idool,
Mamma zegt dat ik nu moet gaan slapen,
morgenochtend moet ik weer naar school,
En
zal ik alleen zijn
Nu
niet meer dromen,
nu moet ik slapen,
nu moet het licht uit,
ik ben een grote jongen,
Nu
niet meer dromen,
nu moet ik slapen,
nu moet het licht uit,
ik ben een grote jongen,
--------------------------------------------------------------------------------
1.7.
De Gouden Eeuw.
1.7.1.
Over de Schermerpolder en de Verenigde Oostindische Compagnie.
Arie:
Diederik van Vleuten, leeftijd: 33. Beroep: held, alleskunner,
Soeperman. De man die het sneller in zijn broek doet dan zijn
schaduw. Maar kwam je ook alweer vandaan?
Died:
Uit de Schermerpolder bij Alkmaar.
Arie:
Wie kent hem niet: De Schermerpolder bij Alkmaar. Die kale,
natte, kouwe, winderige, lege, nare, vervelende, saaie, overbodige,
tot niets verplichtende Schermerpolder bij Alkmaar.
Died:
Mijn moeder maakte vroeger mijn wanten aan elkaar vast met een
lang touw door allebei mijn mouwen. Dan had ik ze altijd bij
me. Maar je wordt ouder en er komt een dag dan moet je het allemaal
zelf doen. Dus jaren later fiets ik in de winter door de Schermerpolder
zonder wanten. Kapitein Iglo met tien vissticks. En nou denk
ik wel eens: als Oost-Indië niet had bestaan had de Verenigde
Oostindische Compagnie niet bestaan.
Arie:
Ja.
Died:
En als de Verenigde Oostindische Compagnie niet had bestaan
dan hadden ze nooit geld gehad om de Schermerpolder droog te
leggen.
Arie:
Ja.
Died:
En als ze de Schermerpolder niet hadden drooggelegd dan had
ik geen kouwe handen gehad. Snap je?
Arie:
Nee.
Died:
Jij komt dan ook uit IJmuiden.
1.7.2.
De Gouden Eeuw: het logboek van de Eenhoorn.
Diederik
stort zich in een zeventiende-eeuwse fantasie. Hij neemt Arie
mee op een verre-reis-in-gedachten.
Died:
We zijn op weg naar Indië. Met de Verenigde Oostindische
Compagnie. Wij gaan voor peper en kaneel. Wij gaan voor goud
en zilver. In de zeventiende eeuw gebeurde er nog eens wat.
In de zeventiende eeuw lag er doodleuk een briefje op de keukentafel:
Vrouw, ik ben even wat peper halen. Tot over twee jaar. Hier,
lezen!
Arie:
'De Eenhoorn. 6 april 1653. Lief Logboek. Het is windstil. Ik
heb mijn boek uit en niemand wil met me ruilen. Iedereen is
ziek, behalve de kok. Als Jacobus Kalverboer nog een keer op
die luit van hem begint te tokkelen dan haal ik hem achterstevoren
door het dichtsbijzijnde koraalrif. Daar zal zijn rug van opkijken.'
Died:
Om in Indië te komen moeten we langs Kaap de Goede Hoop.
Kaap de Goede Hoop, dat is goed nieuws en slecht nieuws. Het
slechte nieuws: van links komt de Indische Oceaan en van rechts
de Atlantische. En wij zitten in een houten boot.Het goede nieuws:
We komen eindelijk weer eens vooruit. Met windkracht twaalf.
Arie
wordt even Matroos:
Kapitein ik geloof dat ik moet kotsen.
Diederik
wordt even Kapitein:
Zeg, matroos, zou je mij een plezier willen doen en even in
de Indische Oceaan willen kotsen? Anders krijg ik al die ontbijtspek
in mijn pruik. By the way, morgen zijn we op Kaap de Goede Hoop.
Kan jij na 6 maanden kotsen eindelijk weer eens gewoon lekker
schijten. Vandaar de naam. Kaap de Goede Hoop. Zeemanshumor.
Died:
En daar is Indië. Onmiddelijk gaat de kapitein met zijn
dapperste mannen aan land.. en plant de vlag van de Verenigde
Oostindische Compagnie in het zand. Niet lang daarna komt het
opperhoofd uit de bosjes en maakt een eeuwenoude rituele dans.
Died
wordt even Dansend Opperhoofd
Arie
als Amsterdamse Kapitein:
Zeg, Klukkluk, heb je beestjes? Zeemanshumor.
Died
als Dansend Opperhoofd:
Eoeleoeleoeleoeleoeleeleoeleoeleleleoeleleoe.
Arie
als Amsterdamse Kapitein:
Je weet het mooi te vertellen. Maar nou effe zonder dollen,
Opperhoofd, jullie hebben peper, kaneel en allerlei geheimzinnige
kruiden. Hebben wij allemaal niet. Maar wij hebben een kanon.
En dat hebben jullie niet.
Een
kanonschot treft het Dansende Opperhoofd.
Arie:
Ik heb het hier wel gezien. Ik ben weer thuis.
Arie
gaat naar bed. Died leest verder in het logboek van de Eenhoorn.
Died:
De Eenhoorn. 6 juli 1653. Over 110 dagen zijn we thuis.
De Eenhoorn. 7 juli 1653. Over 109 dagen zijn we thuis.
De Eenhoorn. We zijn thuis. We zijn stinkend rijk. We gaan ons
meteen op een schilderij laten zetten.
Died
gaat poseren als Kapiteyn Keyser, iemand die poseert voor een
Oude Meester om vastgelegd te gaan worden op een Schuttersstuk.
1.7.3.
Over Schilderkunst in de Gouden Eeuw.
Poserende
17e eeuwer:
Schilderkunst in de zeventiende eeuw: Zeg Vermeer, duurt het
nog lang, anders ga ik zo lang even EEN STRAATJE om hoor, ha,
ha, ha. Zo mensen, ik zou zeggen: een hele goede avond. De naam
is kapitein Keyzer van de Eenhoorn en ik wou meteen maar van
de gelegenheid gebruik maken om een boekje open te doen over
de zeventiende eeuw. Nee, mensen, die hele zeventiende eeuw,
dat is toch maar een rare eeuw geweest. De Gouden Eeuw, zo werd
'ie genoemd, maar die Gouden Eeuw die was helemaal niet van
goud, wis en drie niet, het was een eeuw van niks. Hij werd
alleen maar Gouden Eeuw genoemd door mensen die er zelf niet
in geleefd hebben. Da's lekker makkelijk. Dat jullie gewoon
zeggen: toen en toen maakten die mensen verre reizen met grote
schepen en ze konden ook heel mooi schilderen en iedereen was
rijk en gelukkig, iedere dag broodjes met peper en kaneel, weet
je wat, laten we dat eens de Gouden Eeuw noemen. Kijk, en dan
zeg ik: bemoei je effe met je eigen eeuw! Ik ga van jullie eeuw
toch ook niet zeggen. Nee, mensen, laten we allemaal gewoon
rustig in onze eigen eeuw blijven zitten, dat is voor iedereen
verreweg het beste. Schilderkunst in de Gouden Eeuw. Breek me
de bek niet open. Ken je dat schilderij dat Rembrandt maakte
van de direktie van Hoogovens? De Staalmeesters. Die zitten
daar gewoon met z'n allen met hun stalen smoelen recht in dat
schilderij te koekeloeren maar ondertussen... Nee, mensen.
Maar
ik moet ik u wel zeggen: ze hadden tenminste wel hun gewone
gezichten nog. Moet je eens aan het eind van de negentiende
eeuw kijken: wat een sjacharijnige koppen. Hoewel, ik kan me
dat ook best voorstellen hoor. Zit je net met de familie gezellig
aardappelen te eten, wordt er opeens krankzinnig hard op de
deur geklopt, staat er een roodharige gek met een oor in de
kamer die zegt: goedenavond, wilt u even een week niet bewegen?
Nee, mensen, schilderkunst in de 17e eeuw, ik krijg er kramp
van in me kaken.
1.7.4.
Arie en Died over de Drooglegging van de Polders.
Died:
Beste jongens en meisjes, jullie hebben vast allemaal wel eens
gehoord van de 17e eeuw. In de 17e eeuw lag heel Nederland onder
water. Heel Nederland. Behalve het Noord-Hollandse vissersdorpje
de Rijp. Dat lag voor de helft onder water. De mensen konden
er alleen boodschappen doen als het eb was. Maar kwamen ze nou
bij de slager dan hing er een briefje op de deur: 'Ik ben bij
de bakker, hoogachtend: de slager'. Want ook de slager kon ook
alleen boodschappen doen als het eb was. De toestand werd onhoudbaar
maar de redding was nabij want op een goeie dag in het jaar
1631 zat de molenmaker en waterbouwkundige Jan Adriaanszoon
Leeghwater in een boot voor zijn huisje in de Rijp en probeerde
daar voor de 47e keer zijn pijp aan te krijgen. Maar het bleef
maar waaien en waaien en waaien..
Arie:
Ideaal voor een molenmaker, een pijproker werd er gek van.
Died:
Leeghwater keek omhoog: een loodgrijze lucht. Hij keek voor
zich uit: gebogen riet. Hij keek naar links: gebogen riet. Hij
keek naar rechts: nog meer
Arie:
Ideaal voor een dakbedekker, een stratemaker werd er gek van.
Died:
Toen stond Leeghwater op en sprak de historische woorden:'Timeo
Danaos et dona ferentes.'
Arie
als Leeghwater:
'Als we dat nou allemaal gewoon eens droogleggen.'
Died:
Onmiddelijk legde Leeghwater een lijst aan met alles wat hij
voor de drooglegging nodig had:
Arie
als Leeghwater:
Een dijk,
een ringdijk,
een binnenboezem,
een buitenboezem,
50 uitwaterende sluizen,
100.000 zakken zand,
200 paarden en wagens
en 52 molens.
Died:
De molens van Leeghwater begonnen en te malen en te roeren en
na twee jaar malen en roeren klom Leeghwater op een vroege lentemorgen
in 1633 op de ringdijk en zag hij voor het eerst wuivend in
de wind het eindeloze groene gras van de Schermerpolder. Tranen
vulden zijn ogen en hij sprak de historische woorden:
Arie
als Leeghwater:
Yo mannen, genoeg gemalen. Wat mijn betreft is het af.
Died:
De Schermerpolder waar ik vandaan kom. Die prachtige, schitterende
Schermerpolder.
Arie
als Leeghwater:
Sommige mensen zeggen; wat nou Schermerpolder, ik zie overal
nog water. Dan zeg ik: dat is geen water, dat is een vaart.
--------------------------------------------------------------------------------
1.8. Diapresentatie in het Schermermuseum.
Dia
Welkom in de Schermerpolder, land van wind en water. Rond 1630
was dit nog een kaal, dia nat, dia koud, dia winderig, dia saai,dia
leeg, dia vervelend, dia overbodig, dia tot niets verplichtend
dia stukje moeras dia waar de elementen vrij spel hadden. dia
Regen en ziektekiemen werden meegevoerd door een straffe Noordoosterwind.
dia Voor een straffe Zuidwesterwind plaats men de dia omgekeerd
in de caroussel. dia Tegenwoordig ligt heel de Schermerpolder
droog. dia Behalve natuurlijk cafe-biljart In het Wapen van
de Schermer, waar de laatste nieuwtjes worden uitgewisseld.
----------------------------------------------------------
1.9. Twee oude mannen in het Wapen van de Schermer.
Diederik
en Arie als twee stokoude Noordhollanders biljartend in het
café.
Arie:
Heb je 't gehoord?
Died:
Ja, ik heb 't gehoord.
Arie:
Jaap is dood.
Died:
Is Jaap dood?
Arie:
Jaap is dood.
Died:
Ja, ik heb 't gehoord.
Arie:
Ik zag hem gister nog fietsen. Op zijn fiets. Ik zeg nog tegen
mezelf: Kijk, daar gaat Jaap op zijn fiets. Hij was aan komen
fietsen. Voor zijn borreltje. Net als iedere dag, helemaal over
de Noordervaart en de Zuidervaart. Was 'ie thuisgekomen en zo
in zijn bed gaan liggen. Zegt Ans: Jaap, wat lig jij d'r vroeg
in. Zegt Jaap: Ik heb geen zin meer, ik ben moe. Zegt Ans: Moet
je maar blijven liggen. Met etenstijd lag'ie er nog in.
Died:
Da's niks voor Jaap.
Arie:
Was'ie helemaal koud. Dus Ans belt de dokter: Dokter, je moet
komen, Jaap is niet goed. Wat dan niet, zegt de dokter. Jaap
is helemaal koud. Ik kom d'r meteen aan.
Died:
Da's niks voor de dokter.
Arie:
De dokter komt kijken en begint aan Jaap te voelen en te kloppen
en te doen, zegt 'ie: Ans, Jaap is niet goed hoor. Wat dan niet,
zegt Ans. Jaap is helemaal koud. Vind je 't gek: hij was dood.
Died:
Da's niks voor Jaap.
Arie:
Had gewoon geen zin meer. Hij was moe.
Died:
Wie had dat ooit gedacht.
Arie:
Ik niet. Ik zag hem gister nog fietsen. Op zijn fiets. Ik dacht
nog: daar gaat Jaap op zijn fiets.
Died:
Zo is Jaap.
Arie:
Iedere dag kwam 'ie hier. Voor zijn borreltje.
Died:
Soms wel een paar keer.
Arie:
Ik kwam Ans vanochtend tegen, zegt ze: Je hebt het wel gehoord
zeker? Ik zeg: Ja, het is verskrikkelijk. Ja, zegt ze: Jaap
is dood. etc, etc,..
Died:
onderbreekt Arie in zijn betoog.
Mijn kleinzoon Diederik die heb voor z'n verjaardag een heel
kuuks apparaatje gekregen. Is een pracht. Je ken er zulke kleine
grammofoonplaatjes op draaien.
Arie:
Een C-en-D-speler. Ja, dat heb ik gehoord.
Died:
En nou is het mooie: je ken er de muziek in een andere volgorde
op afdraaien als dat ze d'r in de fabriek er op hebben gezet.
Died:
De mensen kennen hun plaats niet meer.
Arie:
Da's niks voor Jaap.
--------------------------------------------------------------------------------
1.10. Overpeinzingen bij volle maan, voor het slapen gaan.
Diederik
staart slapeloos uit het raam. Arie ligt al heerlijk onder de
wol.
Arie:
Er is niets zo troostrijk op de wereld als de volle maan.
Died:
De maan is niet op de wereld, de maan is op de maan.
Arie:
Er is niets zo troostrijk op de wereld als de volle maan.
Died:
Schijnvol. De maan is vandaag schijnvol. Drie dagen lijkt de
maan vol, alleen de tweede dag is ze echt vol. De andere dagen
dat heet dus schijnvol. Het linkerrandje niet helemaal verlicht.
Arie:
Ik zie dat linkerrandje niet.
Died:
Dat klopt, want het is niet verlicht.
Misschien moet je wat dichterbij gaan staan.
Arie:
Ja, nu zie ik het ook.
Died:
Wist jij dat je vanaf de maan de Chinese muur kunt zien?
Arie:
Ja, dat wist ik. De Chinese muur is het enige menselijke bouwwerk
dat vanaf de maan zichtbaar is.
Died:
Wist jij dat je vanaf de maan ook de rivier de Amazone kan zien?
Arie:
Ware het niet dat er allemaal bomen voorstaan.
Died
wordt even Chriet Titulaer:
U bent op dit moment rechtstreeks verbonden met Houston van
waaruit u op dit moment rechtstreeks verbonden bent met de maan.
Arie:
Vanwaar u rechtstreeks verbonden bent met een gek in een pak.
Chriet:
U bent op dit moment rechtstreeks verbonden met Houston van
waaruit u op dit moment rechtstreeks verbonden bent met de maan.
Zojuist is de the Eagle, de Adelaar, geland in de Tranquillity
Base, Mare Tranquillitatis, u heeft dat allemaal met eigen ogen
kunnen zien, vandaar dat ik het nog maar even navertel. That's
one small step for men, but a giant leap for mankind. Mooi,
Neil Armstrong staat op de maan en ik moet u eerlijk zeggen:
mij valt het een beetje tegen. Eigenlijk valt alles mij een
beetje tegen. Terug naar Houston, terug naar Hilversum.
---------------------------------------------------
1.11.
Vader wordt 60 jaar.
Arie:
Zeg, Diederik, wie had er ook alweer gezegd dat je gezellig
moest komen eten?
Died:
Geen idee.
Arie:
Ik zal je helpen. Het begint met een 'v' en het rijmt op 'ader.'
Died:
Verrader? Voorlader? Vermoedelijke dader?
Arie:
Vijf letters. Twee lettergrepen. Eerste woord:
Arie
doet 'Hints' en rookt een denkbeeldige pijp.
Died:
Mijn vader.
Arie:
Wil ik even bellen en zeggen dat je er aan komt?
Died:
Ik heb van mijn vader drie dingen geleerd.
Died
maakt de drie gebaren: 1. kruist knieën en verwisselt de
handen op die knieën zodat het lijkt of ze door-elkaar-heen-gaan,
2. slaat op achterhoofd zodat de tong eruit komt, 3. laat zijn
arm uit de mouw komen zodat het lijkt of die arm extra lang
is.
Died:
Waarbij je er wel voor moet zorgen dat het knoopje van je overhemd
los zit, anders werkt het niet. Mijn vader is geluidsjager.
Een geluidsjager is iemand die op geluiden jaagt. Vakantie in
Zuid-Ierland, 1973. Ik was toen zo hoog. Mijn vader liep met
zijn spoelenrecorder door de wildernis. Af en toe verdween hij
in het struikgewas.
Arie-als-vader:
Ssst! Een hommel!
Died:
Als de hommel er op stond mochten we weer praten. Of hij hing
met zijn buik over de rand van een klif.
Arie-als-vader:
Ssst. De branding!
Died:
Als de branding er op stond mochten we weer praten. Terug in
Nederland maakte hij van al zijn geluiden een geluidscollage.
En iedere verjaardag kreeg ik dan ook een geluidscollage.
Arie-als-vader:
Dat is leuk voor later. Fragment 1. Zuid-Ierland 1973. Een hommel.
Died:
Hmmm.
Arie-als-vader:
Fragment 2. Zuid-Ierland 1973. De branding.
Died:
Sjjjj.
Arie-als-vader:
Londen, 1978, The Big Ben.
Died:
Beng.
Arie-als-vader:
Venetië, 1979, San Marcoplein.
Died:
Beng.
Arie-als-vader:
Frankrijk, 1980, een krekel.
Died:
Tjtjtjtj.
Arie-als-vader:
Kikkers in een sloot bij Kamerik.
Died:
Nibbit, nibbit.
Arie-als
vader:
En wat leert ons dit?
Died:
Nibbit, nibbit.
Arie-als-vader:
Een kikker zegt geen kwaak, een kikker
Died:
.. zegt nibbit.
Died:
Ik moet mijzelf corrigeren. Ik heb VIER dingen van mijn vader
geleerd. Mijn vader werd zestig en ik dacht: Over twintig jaar
is hij pas tachtig. Het kan dus nog goed komen.
Arie-als-vader:
Zestig, dat word je maar een keer. Dat is leuk voor later.
Died:
Voor al zijn gasten had hij twee koetsjes gehuurd want...
Arie-als-vader:
Koetsjes zijn nu al leuk.
Died:
Twee koetsjes, want hij
Arie-als-vader:
Jongens, nu even geen kritiek.
Died:
Een koetsje voor de mannen en een voor de vrouwen want hij wilde
.
Arie-als-vader:
Ik wil nu eens een dag zonder een enkele wanklank.
Died:
Toen iedereen in de koetsjes zat konden we bijna gaan.
Arie-als-vader:
(pratend in geluidsjaag-recordertje) Testing, testing, testing.
One, two, three. Vandaag ben ik zestig jaar geworden. Een mijlpaal,
al zeg ik het zelf. Zestig word je maar een keer, waar of niet?
Ik sta hier voor de koetsen en ik kijk even of alle koetsen
er zijn. Een, twee, compleet. Het ziet er schitterend uit. Dag
Freddie, ben jij er ook? Freddie is er ook. Fijn zo. Zitten
we er allemaal in?
Died:
Jij bent de enige die er nog niet inzit, pap.
Arie-als-vader:
Dan kunnen we wat mij betreft.
--------------------------------------------------------------------------------
1.12. Kankeren op IJmuiden.
Arie:
Ik heb nog nooit zo lekker geslapen als vannacht. Ken je dat?
Je gaat liggen en je krijgt het gevoel of je helemaal wegglijdt
en...
Died:
Jij komt dan ook uit IJmuiden.
Arie
verlaat boos de kamer.
Died:
Jij komt uit IJmuiden, dat is alles wat ik heb gezegd. Ik heb
niet gezegd: IJmuiden van de Hoogovens. Want de Hoogovens zijn
niet in IJmuiden, de Hoogovens zijn in Wijk aan Zee. Ik heb
niet gezegd: IJmuiden, waar helemaal niks is en als er wel wat
is dan heeft het geen nut. Ik heb niet gezegd: IJmuiden, waar
je kon kiezen: of werken bij de Hoogovens of werken bij de visfabriek
maar dat dat niets uitmaakt want bij allebei stinkt het even
erg. IJmuiden, waar bij Oostenwind de ramen dicht moesten vanwege
de Hoogovens, waar bij Westenwind de ramen dicht moesten vanwege
de visfabriek en waar bij Noordenwind de ramen alleen op zondag
open mochten omdat alleen op zondag het crematorium gesloten
was. Heb ik niet gezegd. Ik heb alleen gezegd: Jij komt uit
IJmuiden.Heb je de naam De Boer horen vallen? Van De Boer Doe
Het Zelf? Ik dacht het niet. De Boer, waar jullie naar binnen
gingen en een patat met bestelden en dat de Boer zei: die heb
ik niet en dat jullie dan naar buiten renden en de deur openlieten
en dat De Boer dan achter jullie aankwam kwam en riep: kennen
jullie de deur niet dichtdoen en dat jullie dan riepen: De Boer
Doe het Zelf! Is de term Onbekende Auto gevallen. Ik heb hem
niet gehoord. Dat er op een dag een onbekende auto door IJmuiden
reed en dat tot op de dag van vandaag niemand weet van wie die
onbekende auto nou eigenlijk was.
Arie:
"De buurt waar je geboren bent, die kun je nooit vergeten,
al raak je later nog zo afgetakeld en seniel.
De kleuren van je kindertijd zijn in je huid gebeten,
de straten van je jeugd laten hun stempel op je ziel."
Died:
De buurt waar je geboren bent die kun je nooit vergeten. Maar
je zou het wel willen.
Arie:
Nee.
Died:
Jaaah!
Arie:
Nee.
Died:
Ja, de buurt waar jij geboren bent, die zou je best eens een
tijdje willen vergeten.
Arie:
Nee!
Arie
duwt Died een muts over zijn kop. Died wordt Belle Jan, een
dorpsgek uit IJmuiden.
Belle
Jan:
Jaaaaaah.
Arie:
Dag, Belle Jan. Jij leeft dus nog.
Belle
Jan:
Jaaah.
Arie:
Fijn voor jou.
Belle
Jan:
Jaaah.
Arie:
Maar jij komt nu niet voor een liedje voor mij bellen.
Belle
Jan:
Jaaaaah.
Died
pakt uit zijn jas een mooie glimmende fietsbel. Hij begint een
liedje te bellen.
Arie:
Ik zag twee beren broodjes smeren.
Belle
Jan:
Neeeeeh.
Arie:
Advocaatje ging op reis.
Belle
Jan:
Neeeeeh.
Arie:
Altijd is Kortjakje ziek.
Belle
Jan:
Jaaaaah.
Arie:
Dag, Belle Jan.
Belle
Jan blijft verwachtingsvol staan en graait vervolgens in Arie
zijn jas.
Arie:
Het spijt me, Belle Jan, maar ik heb geen sigaar voor je.
Belle
Jan moet bijna huilen.
Arie:
Is je sigaar van gisteren al op?
Belle
Jan:
Jaaaaah
Arie:
En die van eergisteren?
Belle
Jan:
Neeeeeh.
Died
blijft staan.
Arie:
(ontwikkelt een plan en voert dit snel uit.) Zou ik die mooie
bel van je even mogen hebben?
Belle
Jan geeft de bel aan Arie. Arie begint een wijsje te bellen.
Belle Jan weet niet wat Arie belt. Belle Jan denkt nog even
hard na en geeft dan de sigaar van eergisteren aan Arie. Belle
Jan druipt zonder sigaar af.
Arie:
Dag, Belle Jan
. Dat is gek. Ik heb toch een sigaar,
Belle Jan.
Belle
Jan is dolgelukkig met zijn zelfverdiende eigen sigaar.
--------------------------------------------------------------------------------
.13. De Oude Buurt.
Een
liedtekst van Jan Boerstoel, speciaal geschreven voor Andermans
Eiland.
De
huizen zijn nog net zo grauw als dat ze vroeger waren,
de tuintjes net zo armetierig in het algemeen.
alleen de kruidenier is weg en niemand weet waarheen,
maar verder is er eig'lijk niets veranderd sinds de jaren,
dat ik dit allemaal bij name kende, steen voor steen.
De
buurt waar je geboren bent, die kun je nooit vergeten,
al raak je later nog zo afgetakeld en seniel.
De kleuren van je kindertijd zijn in je huid gebeten,
de straten van je jeugd laten hun stempel op je ziel.
De
vrouwen hebben nog die vaalheid van hun regenjassen,
de mannen dragen 's zondags nog hun hemd over hun broek.
De meisjes giechelen in de patatzaak om de hoek.
Ze weten altijd nog precies waarvoor je op moet passen,
maar snappen niet, dat ik inmiddels heel wat anders zoek.
De
buurt waar je geboren bent, die kun je nooit vergeten,
al raak je later nog zo afgetakeld en seniel.
De kleuren van je kindertijd zijn in je huid gebeten,
de straten van je jeugd laten hun stempel op je ziel.
In
het plantsoentje staan nog steeds die verveloze banken,
daar horen de bejaarden, ditmaal zeven op een rij.
Een oud-gebleven buurman knikt en glimlacht tegen mij,
ik lach terug en voel meteen de neiging om te janken.
alles is nog hetzelfde, maar ik hoor er niet meer bij.
En
toch loop ik te denken: waarom ben ik nou niet blij?
----------------------------------------------------------------------------
1.14.
Bidden voor het eten.
Arie
pakt een appel en een banaan uit zijn jasje en zet aan tafel
een gebed in.
Arie:
'Oh, Here die ons leven voedt,
kroon onze tafel met uw zegen en uw spijzen
en drenk ons met het goed van uw milde hand verkregen.
Leer ons van overdaad ons wachten.
Doe ons gedragen zoals het behoort.
Leer ons het hemelse betrachten en sterk onze zielen
door Uw Woord.
Om Jezus' Wil. Amen.'
Died:
Arie, bid jij voor het eten?
Arie:
Ja.
Died:
Voor een banaantje?
Arie:
Nee, voor God
Died:
Was me nooit opgevallen.
Arie:
God valt ook niet zo op.
Died:
En bid je ook na het eten?
Arie:
Ja.
Died:
Doe eens.
Arie
wil gebed inzetten.
Died:
Na het eten..
Arie
eet eerst zijn banaan op.
Arie:
'Here, wij danken u van harte
van noodruft en van overvloed.
Menig mens eet brood der smarten,
hebt Gij ons mild en wel gevoed.
Here geef dat onze ziel niet aan dit vergank'lijk leven leve,
maar alles doet wat Gij gebiedt en eind'lijk eeuwig bij U leve.
Om Jezus' Wil.
Amen.'
Died:
Weet jij wat je precies zegt bij het bidden?
Arie:
Nee.
Died:
Thuis nooit gevraagd?
Arie:
Nee.
Died:
Thuis nooit gevraagd: Pap, wat betekent dat eigenlijk: 'noodruft',
'het hemelse verwachten'.
Arie:
Het hemelse betrachten.
Died:
Nooit gevraagd?
Arie:
Nee.
Died:
Raar.
Arie:
Waarom?
Died:
Je ziet je ouders dingen doen en zeggen die je niet begrijpt
en je vraagt niet waarom. Dat is toch raar?
Arie:
Nee. Je vraagt toch ook niet waarom je thuis zo vaak aardappelen
eet?
Died:
Dat is gezond en dat is goedkoop.
Arie:
Of waarom je op blokfluitles moet?
Died:
Dat is goed voor je muzikale vorming.
Arie:
Of waarom jouw vader de hele tijd allerlei geluiden opneemt?
Died:
Dat is leuk. Voor later. Zou ik onze fijnbesnaarde theoloog
eens de vraag mogen voorleggen wat het beste boek is: het Oude
Testament of het Nieuwe Testament.
Arie:
Het Oude.
Died:
Waarom hebben ze dan het Nieuwe Testament geschreven als het
Oude het beste was.
Arie:
Ik zei: het Oude. Toen gebeurde er nog eens wat! Mozes! 'Toen
strekte Mozes zijn hand uit over de zee en de Here deed de zee
de gehele nacht door een sterke Oostenwind wegvloeien, maakte
haar droog, en de wateren werden gespleten. Zo gingen de Israëlieten
in het midden der zee op het droge: terwijl rechts en links
de wateren voor hen waren als een muur.' En daarna veertig jaar
door de woestijn. Veertig jaar. Naar het Beloofde Land.
Died
met Veronicastem:
Als je lid-abonnee bent doe je dat in twee uur.
Arie:
... met dat hele volk achter zich aan die de hele dag zaten
te mekkeren hoe ver het nog was, dat ze dorst hadden, dat ze
honger hadden, dat het zo warm was ....
Died
met Surinaams accent:
Het was zo warm, zo vreselijk warm.
Arie:
Maar Mozes mocht er niet in terwijl het beloofd was.
Died
met Surinaams accent:
Zo ontzettend warm. Ik zal je voorbeeldje geven van hoe warm
is.
Arie:
(nijdig) Ben jij eigenlijk wel christelijk opgevoed?
Died:
Nee, niet van huis uit. Ik zat wel van huis uit op een christelijke
school. Die was van huis uit het dichtste bij.
Arie:
Zal ik jou eens wat vertellen? Mozes was een HELD.
Died:
Mozes was een kruising tussen de Paashaas, Tijl Uilenspiegel,
en de Kerstman.
Arie:
Nog meer?
Died:
En tussen Paulus de Boskabouter, Professor Zonnebloem en Nelly
Frijda.
Arie:
Vind jij wel lekker he, om mensen te beledigen.
Died:
Ja. Heerlijk. En helemaal als die mensen ook nog eens uit IJmuiden
komen.
--------------------------------------------------------------------------------
1.15. Hoe warm het is in Suriname.
Died
als Surinamer:
Zodra de zon opkomt staan we op. We wassen ons, we kleden ons
aan. En zodra we buiten komen denken we meteen: Wah! wat is
het warm! Als het nu al zo warm is, hoe moet het dan op het
midden van de dag wel niet zijn, wanneer de zon haar hoogste
punt bereikt heeft? Wij vrezen met seer grote vreze. We zoeken
een plekje in de schaduw van de grote boom in het midden van
het dorp en we wachten het middaguur af. We zien de zon klimmen,
hoger en hoger en hoger en onze vrees wordt bewaarheid: want
hoe hoger en hoger de zon klimt, hoe warmer en warmer het wordt.
Niemand beweegt meer en niemand zegt meer wat maar we horen
elkaar als het ware denken: het zal toch niet nog warmer worden?
En jawel hoor!
Weldra
bereikt het kwik de maximale waarde waarbij enig menselijk leven
nog mogelijk is. De vrouwen zuchten, kinderen huilen en hier
en daar legt een oude van dagen het loodje. Al wie nog kracht
heeft bidt tot de Goden of het misschien minder warm mag worden.
Een heel klein beetje maar, daarmee zouden wij al erg geholpen
zijn. En weh! Ons gebed wordt verhoord. Langzaam begint de zon
te zakken en met het zakken van de zon wordt het steeds iets
minder warm. Eén voor één komen we onder
de grote boom in het midden van het dorp tevoorschijn en wij
begeven ons huiswaarts. Onze schaduwen worden langer en langer
tot wij tenslotte de zon als een enorme vuurrode bal in het
Westen ter kimme zien neigen. De zon gaat onder. Opgelucht halen
wij adem en thuisgekomen onsteken wij onmiddelijk de vuren.
Want ik zal je dit zeggen: als in het land waar ik woon de zon
eenmaal onder is...dan wordt het toch koud!
----------------------------------------------------------
1.16. Kleine Arie op de Voetbaltraining.
Diederik
is een voetbaltrainer. Arie een kleine jongen.
Voetbaltrainer:
Stond je er al lang?
Arie:
Valt wel mee, mijnheer.
Voetbaltrainer:
'Valt wel mee, mijnheer
' Nou, Robbie, we zullen eens kijken
wat we aan je hebben.
Arie:
Ik heet geen Robbie.
Voetbaltrainer:
Jij heet geen Robbie.
Arie:
Ik heet Arie.
Voetbaltrainer:
Jij heet Arie.
Voetbaltrainer:
Maar waarom wordt mij dan gevraagd of ik naar Robbie wil komen
kijken?
Arie:
Dat weet ik niet. Ik heet Arie en ik moest mij hier om half
twee melden.
Voetbaltrainer:
En hoe laat is het nu?
Arie:
Tien over vier, mijnheer.
Voetbaltrainer:
Dus je stond hier al wel een tijdje te wachten.
Arie
knikt.
Voetbaltrainer:
Dan kan je dat toch gewoon zeggen. Dan zeg je: Ja, ik stond
hier al een tijdje te wachten. Zo moeilijk is dat toch niet?
Hoe oud ben jij?
Arie:
Dertien.
Voetbaltrainer:
Da's een lekkere leeftijd. Heb jij nog een achternaam, Arie?
Arie:
Arie van der Wulp, mijnheer.
Voetbaltrainer:
Hoe?
Arie:
Van der Wulp.
Voetbaltrainer:
Wullup? Wullup? Wul-lup. Sta je meteen met 2-0 voor, of niet?
Heb je al eerder gevoetbald?
Arie:
Bij Stormvogels, V.S.V., en de Kennemers.
Voetbaltrainer:
En nou dacht jij met je dertien jaar: dat IJmuiden, dat is wel
een leuke club om een rustig af te bouwen.
Trainer
pakt bal en werpt deze Arie toe, die hem vangt.
Voetbaltrainer:
Dat noemen wij nu hens. Ben je gekeurd, Wulp?
Arie:
Ja, mijnheer.
Voetbaltrainer:
.....?
Arie:
Ik ben goedgekeurd.
Voetbaltrainer:
Goedgekeurd. Dus ze hebben niks gezegd over je oren.
Arie:
....
Voetbaltrainer:
Jij hebt hele grote oren. Jahaa, jij hebt heeele grote oren.
Trainer
staat pal naast Arie en blaast op fluitje, recht in Arie zijn
oor. Arie grijpt naar zijn hoofd, laat bal los.
Voetbaltrainer:
Die was bijna op me voeten. Zag je dat? Ik heb niet de indruk
dat jij dat zag. Wat speel jij, Wulp?
Arie:
Rechtsbuiten.
Voetbaltrainer:
Da's mooi. Rickie Stangeberg speelt bij ons normaliter rechtsbuiten
maar Rickie komt een tijdje niet.
Arie:
Dat is fijn, mijnheer.
Voetbaltrainer:
Rickie heb namelijk kanker. Nog een vraagje, Wulp. Heb jij al
haar op je lul?
Arie:
Ja.
Voetbaltrainer:
Dan ben jij zaterdag aanvoerder.
--------------------------------------------------------------------------------
1.17. Diederiks brief aan Johan Cruijff.
Arie:
Jouw handschrift, Diederik?
Died:
Nee.
Arie:
'Beste Johan.
Ik ben heel blij voor je dat het zo goed met je gaat in Barcelona.'
Died:
Dat is mijn handschrift.
Arie:
'Met mij gaat het ook heel goed, dank je. Het is inderdaad heel
erg eenzaam aan de top. Heel je leven vecht je er voor om de
allerbeste te zijn en als het dan eenmaal zover is dan sta je
daar helemaal in je eentje op die eerste plaats. Maar troost
je: ik vind het ook heel eenzaam aan de top. Dus je moet maar
denken: eigenlijk staan we daar met zijn tweetjes. Dat is ook
wat ons bindt. Natuurlijk ben ik ook heel trots op je zoon Jordi.
Het lijkt me heerlijk om de zoon van jou te zijn maar het lijkt
me nog heerlijker om zo'n vader te hebben, die altijd alles
weet en altijd gelijk heeft. Nou, Johan, ik moet stoppen, heel
veel succes aanstaande zondag. Osasuna-uit lijkt me een eitje.
Hoogachtend, je vriend Diederik.'
Arie:
Dus jij schrijft brieven aan Johan Cruijff.
Died:
Ja.
Arie:
En zo'n brief die doe je in een envelop...
Died:
Ja.
Arie:
Daar doe je een postzegel op...
Died:
Ja.
Arie:
En die doe je op de bus.
Died:
Ja.
Arie:
En die komt dan aan in..
Died:
Barcelona.
Arie:
In Barcelona.
Died:
Johan Cruijff is namelijk trainer van Barcelona.
Arie:
Johan komt s'avonds thuis en zijn vrouw Danny zegt: Johan, er
is een brief voor je gekomen. Van Diederik van Vleuten. Uit
Amsterdam. En wat zegt Johan dan?
Died:
Ha! Een brief van Diederik van Vleuten uit Amsterdam.
Arie:
Nee. Johan zegt: wie is in Jezusnaam Diederik van Vleuten. Daar
heb ik nou in mijn hele carrière nog nooit van gehoord.
Died:
Nee. Dat zegt Johan niet. Als ik een brief van Johan Cruijff
krijg zeg ik toch ook niet: wie is in Jezusnaam Johan Cruijff,
daar heb ik in mijn hele carriere nou nog nooit van gehoord.
Arie:
Die Johan van jou, schrijft die wel eens terug?
Died:
Krijg jij wel eens antwoord na het bidden?
Arie:
Ik dacht niet dat dat hetzelfde was.
Died:
O nee? Johan Cruijff. De Verlosser. El Salvador. De Magier van
de Meer. Het Orakel van Ajax. De Tovenaar van Nou Camp.
Arie:
Zegt me allemaal niks.
Died:
Amsterdam-Oost. Betondorp. Een bleke magere jongen met een bal.
Dag in dag uit, dag in dag uit, volgens de wetten van de straat.
Wie verliest valt af en vallen doet pijn. Dus je zorgt dat je
nooit valt. Je zorgt dat je nooit verliest. Als hij dertien
jaar is steekt hij de weg over, naar de stadion. Een kleine
bleke jongen. Alleen. En van daaruit begint zijn zegetocht over
de wereld.
Arie:
Weet je wat het met jou is? Jij hebt geen gevoel voor verhoudingen.
Died:
Ik kom dan ook niet uit IJmuiden.
Arie:
Johan Cruijff is een gewoon mens.
Died:
Maar natuurlijk, Arie. Daarom staat'ie ook bij Madame Tussaud.
Tussen Mitterand en Thatcher in.
Arie:
De legendarische voorhoede Mitterand, Cruijff, Thatcher.
Died:
Ik geef toe: het is geen gezicht.
Arie:
Dat dacht ik ook.
Died:
Want maar liefst vijfhonderdmiljoen mensen kennen Mitterand
en Thatcher...
Arie:
Juist.
Died:
En slechts drie-en-een-half-miljard mensen kennen Johan Cruijff.
Arie:
Diederik, Johan Cruijff is gewoon een mens.
Died:
Nee.
Arie:
Als'ie dorst heeft moet hij drinken, als'ie moe is moet'ie slapen
en als hij een brood wil moet hij naar de bakker.
Died:
Johan komt nooit bij de bakker.
Arie:
O. Johan eet geen brood.
Died:
Nee. Danny doet de boodschappen.
Arie:
Want Johan heeft het natuurlijk te druk.
Died:
Als Johan zelf bij de bakker komt staat het verkeer in Barcelona
meteen muurvast.
Arie:
Johan Cruijff gewoon een mens die toevallig aardig tegen een
balletje kon trappen.
Died:
Kan trappen. Je zei kon, dat moet zijn kan. Johan is bijna vijftig
jaar maar schiet nog iedere dag op de training bij Barcelona
van veertig meter afstand met buitenkant rechts een luciferdoosje
van de lat.
Arie:
Lijkt me heel nuttig om dat te kunnen.
Died:
Daar gaat het niet om.
Arie:
Waar gaat het dan wel om?
Died:
Hij kan het ook met buitenkant links. Trouwens, Johan is ook
heel slim.
Arie:
Ja.
Died:
Johan moest voor het eerst naar Barcelona. Maar Johan wist als
je in het buitenland een taxi neemt word je dus altijd genaaid.
Dus wat doet Johan?
Arie:
Hij neemt de bus.
Died:
Hij koopt een plattegrond van Barcelona, stapt in de taxi en
wijst de chauffeur de kortste weg naar het stadion. Kun je je
voorstellen?
Arie:
Nee.
Died:
Die chauffeur rijdt daar al 25 jaar en Johan wijst hem de weg.
Arie:
Bravo Johan.
Died:
Ander voorbeeldje. Johan komt na Barcelona terug bij Ajax. Ha,
dacht iedereen, die komt alleen maar z'n zakken vullen: Wat
kan een vent van 35 nou nog helemaal. En wat doet Johan bij
zijn rentree in Amsterdam?
Arie:
Hij koopt een plattegrond.
Died:
Op 6 december van het jaar onzes Heren 1983, om tien over drie
in de middag ziet Johan dat de keeper van de FC Haarlem 7,3
centimeter te ver voor zijn doel staat en dus speelt Johan drie
man uit en schiet de bal van veertig meter met buitenkant rechts
over de keeper in de kruising. Was'ie helemaal naar Amsterdam
teruggekomen om de wereld nog een keer te laten zien hoe het
spel eigenlijk gespeeld moet worden.
Arie:
En daar mag jij gewoon Johan tegen zeggen?
Died:
Hij mag toch ook Diederik tegen mij zeggen. Je zegt toch ook
niet mijnheer van Rhijn, mijnheer van Nazareth. Het is Rembrandt,
Jezus, Johan.
Arie:
Ja hoor, Died.
Died:
En nou denk ik heel vaak: Wat zal de vader van Johan ongelofelijk
trots zijn op zijn wereldberoemde zoon.
Arie:
Die is dus dood!! Toen Johan 12 was ging zijn vader dood.
Died:
Drie-en-een-half-miljard mensen kennen Johan Cruijff alleen
zijn eigen vader heeft hem nooit zo gekend. Dus al die bekers,
cups, en titels zijn voor niks geweest...Eigenlijk is Johan
helemaal voor niks geweest.
Arie:
Nou, zo zou ik het niet willen zeggen..
--------------------------------------------------------------------------------
1.18. Diederiks bewondering voor Ravel.
We
horen een fragment van het pianoconcert voor de linkerhand,
van Maurice Ravel.
Arie:
Leuk muziekje. Strauss?
Died:
Dit was Ravel. Maurice Ravel. Musicien Francais. 1875-1937.
De keizer onder de componisten, de bedwinger der harmonieën,
deze mandarijn van de goede smaak. U hoorde het pianoconcert
in G. En dit was alleen nog maar het pianoconcert in G. Voor
twee handen.
Arie:
Die Ravel heeft toch niet nog een pianoconcert geschreven..
Died:
Ravel schreef ook een concert voor de linkerhand. Maar: als
je het hoort denk je: dat wordt gespeeld door twee handen. En
dan zeg ik: dat is geniaal.
Arie:
En dan zeg ik: schrijf het dan meteen voor twee handen.
Died:
En dan zegt Arie van der Wulp, de Arie van der Wulp, wie kent
hem niet, de muzikale magiër, de virtuoze alleskunner,
de gebronste atleet, de droom van iedere vrouw, die zegt over
Ravel, schrijf het dan meteen voor twee handen. Juist... Wat
hebben we nou nog...
--------------------------------------------------------------------------------
1.19. De Grote Oorlog, 1 juli 1916.
Died:
Welcome in 1916.
Arie:
Welkom in 1916.
Died:
The bright summer of 1916.
Arie:
De prachtige zomer van 1916.
Died,
vanaf nu Captain Martin:
My name is Martin, captain Martin.
Arie:
En mijn naam is Arie van der Wulp.
Captain
Martin:
The summer of 1916. Northern-France. First World War. The Great
War. The war to end all other wars. De zomer van 1916. Volgens
onze generaals het ideale moment om voor eens en voor altijd
met de Duitsers af te rekenen."Your King and Country need
you!" Dus waren we naar Frankrijk gekomen. Met vijfhonderduizend
man. Jonge jongens waren we. Vrienden. Gelijkgezinden. En allemaal
vrijwillig. Met duizenden tegelijk hadden we ons aangemeld.
En
waarom ook niet? Wij werkten in de mijnen, in fabrieken, bij
de spoorwegen en op kantoren. Wij wilden er wel eens uit.
We
konden tekenen voor twee jaar of voor de duur van de oorlog.
We tekenden allemaal voor de duur van de oorlog. Twee jaar van
huis was veel te lang.
Noord-Frankrijk.
De slag zou plaatsvinden aan de oevers van de rivier de Somme.
Tussen groene heuvels en holle wegen. Het Britse plan was simpel
en briljant. We zouden de Duitsers zeven dagen bombarderen en
daarna hoefden we alleen de loopgraven uit te klimmen, Niemandsland
over te steken en de Duitse stellingen in te nemen, op ons dooie
akkertje.
We
groeven ons in en wachtten op de dag die ons onsterfelijk zou
maken, wij wachtten op 1 juli 1916. En ik, Captain Martin, was
de enige die de zaak niet vertrouwde. Ik had de stafkaart bestudeerd
en ik dacht: Wij liggen hier, daar liggen de Duitsers. Wij moeten
de heuvel op. Door het open veld. Als het plan slaagt zijn er
straks geen Duitsers meer. Maar als er ook maar een Duitser
over is met een mitrailleur, dan zijn we er geweest, allemaal.
Met mijn bange voorgevoelens ging ik naar mijn superieuren maar
die stelden mij gerust:"There will be no Germans at all,
Captain Martin."
Na
zeven dagen bombarderen begint de slag. Op 1 juli 1916, om half
acht 's morgens mogen wij eindelijk de loopgraven uit. Daar
gaan we. Vrijwillig. Niemand aarzelt. We steken Niemandsland
over. We kunnen zo doorlopen. Nog maar een paar honderd meter.
Daar
gaan we. Schouder aan schouder. Rij na rij. En dan gebeurt het,
we bereiken het open veld. Opeens klinken er mitrailleurs. Niet
een, maar tientallen tegelijk. Overal vandaan. We vallen. Rij
na rij na rij. Met duizenden tegelijk. In het prikkeldraad,
in de modder. We zijn volmaakt kansloos. De Duitsers hoeven
alleen maar te laden en te herladen, te laden en te herladen.
The
flower of England, face down in the mud.
De
oogst van 1 juli 1916: 60.000 doden, gewonden en vermisten.
Vrienden waren we. Gelijkgezinden. Vrijwilligers. We waren uit
Engeland gekomen om hier in een dag helden te worden.
--------------------------------------------------------------------------------
1.20. Oorlogstoerisme en heldenverering.
Died:
Ja Arie, dat is mijn leven. Zomer 1982. Gezellig met mijn vader
op vakantie in Noord-Frankrijk. Gezellig met zijn tweeën
de Engelse oorlogsgraven bekijken.
Arie:
Maar je hoefde toch niet mee?
Died:
Nee.
Arie:
Maar je ging toch.
Died:
Ja.
Arie:
Vrijwillig.
Died:
Ja.
Arie:
Als vriend.
Died:
Ja.
Arie:
Als gelijkgezinde.
Died:
Ja.
Arie:
Als zoon van je vader.
Died:
Ja.
Arie:
Van dezelfde vader die zijn zestigste verjaardag vierde in een
koetsje.
Died:
Twee koetsjes.
Arie:
Maar dat mocht niet van jou.
Died:
Nee.
Arie:
Want jouw vader moet een held zijn.
Died:
Ja.
Arie:
En helden rijden niet in een koetsje.
Died:
Twee koetsjes.
Arie:
Helden vliegen door de lucht. Helden varen naar Indië.
Helden leggen een polder droog. Helden schieten met buitenkant
rechts een luciferdoosje van de lat.
Died:
Of met buitenkant links.
Arie:
Helden verliezen niet.
Died:
Nee.
Arie:
Helden verliezen nooit.
Died:
Nee.
Arie:
Behalve captain Martin. Misschien wilde je vader je dat wel
in Frankrijk laten zien. Dat je ook kunt verliezen. Dat sommige
mensen gewoon mensen zijn. Van vlees en bloed. Zoals je vader
bijvoorbeeld. En hij kon dat alleen maar laten zien omdat jij
niet luistert. Jij luistert niet. Jij luistert nooit.
Died:
Ik hoor je wel.
--------------------------------------------------------------------------------
1.21. De Grote oorlog. Lied.
Een
liedtekst van Jan Boerstoel, speciaal geschreven voor Andermans
Eiland.
Je
bent het industriegebied van Lille een uurtje door,
het vlakke landschap gaat aan hoogte winnen,
met elke afslag komen namen je bekender voor,
stilaan rijd je de Grote Oorlog binnen:
de zachte groene heuvels waar de Grote Oorlog woedde,
het slagveld van de Somme, waar een half miljoen verbloedden,
in opperste verbazing, geen idee en geen vermoeden,
althans niet op de ochtend voor de slag,
die schitterende eerste julidag..
Ze
waren vol vertrouwen
de oorlog ingegaan,
To Paris, Nach Berlin,
had op hun trein gestaan,
de wapenbroeders die nooit verder kwamen,
dan hier, en enkel God de Vader kent nog hun namen.
Er
lijkt maar weinig over wat aan oorlog denken doet,
en aan de modder van herinneringen,
in alle bermen bloeit je rood de klaproos tegemoet
en leeuweriken hangen hoog te zingen.
Toch kom je als je beter kijkt langs holle binnenwegen
tussen korenvelden steeds meer dodenakkers tegen,
bedekt met witte kruisen, rij aan rij aaneengeregen,
soms duizenden, soms honderd op zijn hoogst,
die je vertellen van een and're oogst.
Ze
waren vol vertrouwen
de oorlog ingegaan,
To Paris, Nach Berlin,
had op hun trein gestaan,
de wapenbroeders die nooit verder kwamen,
dan hier, en enkel God de Vader kent nog hun namen.
Doek.